Morele verontwaardiging en ouder worden

Vanmorgen hebben we een dochter uitgezwaaid, die met haar brugklas twee dagen naar Zeeland gaat. Een soort van op kamp. Dat deed mij natuurlijk denken aan enkele schooluitstapjes van mijzelf. Eigenaardig was de associatie met een specifiek fietskamp, het zal in de derde klas van het atheneum zijn geweest (1985-1986, voorjaar?). Mijn vader was mee als begeleidende ouder.  

Op het terrein aangekomen sprak een moeder van een van de klasgenoten met scherp stemmetje, op roddeltoon, haar morele verontwaardiging uit tegen een van de andere begeleidende ouders: “Ze hebben tegenwoordig van alles, luxe stereo-installaties en zo, maar nog geen fatsoenlijke fiets om op te fietsen.” Het ging specifiek over iemand wiens fiets het opgegeven had onderweg.

Dat ik dit nog ergens in het geheugen had opgeslagen! Ik weet zelfs nog van welke klasgenoot de moeder was. Waarschijnlijk vond ik haar een beetje dom en had ik als rechtgeaarde puber medelijden met haar zoon.  

Grappig is ook dat zo’n opmerking anno 2018 over heel andere luxe apparaten zou gaan, fysiek veel kleinere dingen: iPads, smart phones, GoPro camera’s, smart watches, of hoe die dingen (gadgets) tegenwoordig ook allemaal heten. Ik begin zelf achter te geraken.

I grow old … I grow old
I shall wear the bottoms of my trousers rolled. 

Herinneringen aan Elvis Presley

elvis-albumMijn liefde voor de muziek van Elvis Presley moet wel genetisch bepaald zijn. Persoonlijk ken ik namelijk bijna geen groter fan dan mijn eigen moeder. Toch moet die “overdracht” min of meer onbewust zijn gegaan: in de tijd dat ik verslingerd was aan de persoon en zijn muziek, van mijn achtste tot ongeveer mijn vijftiende jaar, was zij – al fan sinds eind jaren ‘50 – er nauwelijks mee bezig, druk als zij was met het runnen van haar gezin. Die fanatieke bewondering (en vooral verzamelwoede) is bij haar later pas weer tot bloei gekomen, toen mijn aandacht weer verflauwd was. Laat staan dat ze mij of mijn jongere broers ook maar iets in die richting opdrong. Het was er gewoon, ik stuitte zelf op de singletjes In the ghetto, Suspicious Minds en Kentucky Rain, met de typerende oranje RCA labels op het plaatje.

O, wat was ik verslingerd. Wie mij in die jaren gekend heeft, van eind basisschool tot 3 atheneum, kan het zich mogelijk nog herinneren: van spijkerpak tot vetkuif, tot de onvermijdelijke drang the King te imiteren. Dat is trouwens een besmettelijke ziekte die bij geen andere artiest uit de geschiedenis van de muziek ooit geëvenaard is: geen rockster is zo vaak geïmiteerd (en met zo wisselend resultaat) als Elvis. Ook ik heb als kind, op school en bij feesten, staan rocken op zijn muziek, voor een al dan niet denkbeeldig publiek, met een al dan niet echte gitaar – soms was een aangepast tennisracket al voldoende. Ik wás Elvis.

Rond mijn vijftiende verruilde ik Elvis voor Bruce Springsteen, Prince, Sting, Madonna en de andere vlotte hits van de jaren ’80. Lees verder