Met de mantel der liefde

Zoals we in de media kunnen lezen is er gedoe in de hogere lagen van het Openbaar Ministerie, met hier en daar een pikant randje. Uiteindelijk weinig spannend als je rekening houdt met dit soort al te menselijke scenario’s. Ik zou er verder geen aandacht aan hebben besteed als ik niet de column van Nynke de Jong in het AD had gelezen, waarin mij vanuit taalkundig oogpunt een paar bijzonderheden waren opgevallen.

Het begint al met de titel, waardoor ik getriggerd was om het artikel verder te lezen. Een stiekeme vriendin… wat is dat? Dat is een vriendin met een stiekem karakter, iemand met neigingen tot stiekem doen, dingen voor je te verbergen. Wie wil nu in godsnaam zo’n vriendin? Bedoeld is natuurlijk: als je er stiekem een vriendin op wilt nahouden, dan… etc. Het verschil tussen een bijwoordelijke en een bijvoeglijke bepaling.

Ten tweede kun je natuurlijk opmerken dat, gezien de pikante context die geschetst wordt, de term “vriendin” een wel erg braaf eufemisme is. Wellicht had, gezien de verdenking op gezamenlijk verblijf in hotels, de term “minnares” beter gepast. Het is alsof de columnist de zaak nog een beetje met de mantel der liefde probeert te bedekken.

Een van de leukste eigenaardigheden van de tekst ligt nog meer op het semantische vlak:

Kijk nog eens goed naar die vreemde zin: “Als dat zo is heeft hij haar promotie gegeven terwijl hij met haar sliep.”

Het lijkt mij best knap om tijdens de slaap iets anders te doen dan te slapen, zeker zo’n bewuste actie als het verlenen van promotie. Het woord “terwijl” moet hier natuurlijk niet letterlijk worden genomen in de betekenis van “gedurende”, maar als de aanduiding van een langere periode waarin ook wel eens geslapen werd, afgewisseld met het promoveren van de ondergeschikte.

Het “slapen” moet nog veel minder letterlijk worden genomen. Dat is een lelijk anglicisme, dat we steeds vaker tegenkomen, afgeleid van het Angelsaksische “to sleep with someone“, waarmee veelal voorzichtig de bijslaap (ook al zo’n vreemd woord) wordt aangeduid. Dat mensen samen slapen, is veelal niet het probleem, maar juist het feit dat er deels niet geslapen wordt.

Taal is een mooi ding. Zeg maar, mijn ding.

 

Maar waar is de sneeuw van weleer?

Als er iemand veel te danken heeft aan onderwijs in het algemeen en zijn middelbare school in het bijzonder, dan ben ik het wel. Geboren in een bescheiden milieu, uit verstandige ouders die zelf niet veel opleiding hebben genoten, maar die wel de waarde ervan voor hun kinderen volop inzagen en in elk geval hun oudste zoon zodanig hebben gestimuleerd dat hij de eerste in de hele familie was (vaders- én moederskant) die een academische opleiding afrondde, en bovendien er alle begrip voor hadden dat ik een richting koos in de ‘carrière-arme’ Schone Letteren.

De moeder had mijn verzotheid op lezen en geschiedenis vroeg in de gaten en deze materieel gestimuleerd door de boeken te kopen die mij interesseerden of zouden kunnen interesseren. Daarnaast had deze arbeiderszoon het geluk terecht te komen op een school voor havo-vwo in Maastricht met nog enkele resterende elitaire trekjes, genoemd naar onze oerdichter Hen(d)ric van Veldeke. Daar heb ik dus veel aan te danken gehad. Men onderschat mogelijk vaak de “emanciperende” kracht die (goed) onderwijs kan hebben, en de belangrijke rol die leraren daarin spelen.

Literatuuronderwijs is ook het aandragen van het (voor de leerling) niet-vanzelfsprekende, het vormen en uitbreiden van de eigen horizon. Literatuuronderwijs leeft vooral van inspirerende voorbeelden, veel verschillende voorbeelden, waarmee je niet vroeg genoeg kennis kunt maken.

Niet alleen werd in de tweede klas van het atheneum de kiem ontgonnen van de al aanwezige gevoeligheid voor en interesse in poëzie en geschiedenis, door de speelse maar vrij grondige behandeling van verhaal- en poëziegenres en van de beschikbare literaire ‘trukendoos’.

Niet alleen had ik het geluk in klas 4, 5 en 6 les te krijgen van drie verschillende doch allen zeer kundige en bevlogen docenten Nederlands, die mij o.a. enthousiast maakten over Hooft en Vondel en alles wat erna kwam.

Niet alleen werden ook bij Engels en Duits de respectievelijke literatuurgeschiedenissen eveneens vrij uitgebreid behandeld, met veel voorbeelden uit alle perioden, waar mijn liefde voor het werk van Thomas Mann, Joseph Roth, Thomas Hardy en T.S. Eliot haar oorsprong heeft.

Nee, ook de bevlogen en bij vlagen deskundige leraar Frans heeft daarbij een rol gespeeld. Hij maakte gedichten uit middeleeuwen en vroege renaissance voor mij levend: Villon, Du Bellay, Ronsard. Daaraan terugdenkend, en mij afvragend wat mijn kinderen momenteel op school leren, viel mij de bekende terugkerende stokregel uit de Ballade du temps jadis in: “Mais ou sont les neiges d’antan?” (maar waar is de sneeuw van weleer?). Natuurlijk hebben oude en ouder wordende mannen altijd ongelijk in hun pessimisme en melancholie. Maar toch, want ik weet het eenvoudigweg niet: Wat is er over van het literatuuronderwijs van toen (dat al een ‘verslechtering’ heette te zijn ten opzichte van nog eerdere periodes)? Zelfde vraag voor het ideaal van de Bildung, de vorming die studie diende op te leveren?

De optimist in mij antwoordt dan altijd: “Ja, dat bestaat nog steeds, maar dan anders dan je gewend bent. Hou eens op met dat idealiseren van de situatie in je eigen jonge jaren, zoals veel van die andere zeurpieten. Er komen nog steeds jonge mensen van de middelbare school met een bovengemiddelde kennis van en affiniteit met literatuur.”

En toch: waar is die sneeuw van weleer? Ik sprak drie jaar geleden nog een van de hierboven genoemde inspirerende leraren Nederlands. Na zijn pensioen gaf hij, vanwege het tekort aan eerstegraads leraren voor het vak Nederlands, nog steeds lessen literatuur op school, met onverminderd enthousiasme. Ook hij was op bepaalde terreinen iets pessimistischer geworden: de lichte ironie van Carmiggelt wordt niet meer begrepen, Vestdijk is definitief een no go area geworden en Couperus, ach…

Ou est la tres sage Helloïs,
Pour qui chastré fut et puis moyne
Pierre Esbaillart a Saint Denis?
Pour son amour ot ceste essoyne.
Semblablement, ou est la royne
Qui commanda que Buridan
Fust geté en ung sac en Saine?
Mais ou sont les neiges d’antan?

De hier geciteerde strofe is de tweede uit de ballade. Vol melancholie vraagt de dichter zich af: Waar zijn ze gebleven, die schitterende dames uit vroeger tijden, toen ze nog krachtig en mooi waren? Waar is de schone Flora, de mooie Thaïs, of de even mooie als wijze Heloïse, die Esbaillart (= Abelard) zijn mannelijkheid kostte? Opvallend in de tweede strofe zijn de gevaarlijke vrouwen, die mannen naar de ondergang leidden. In de derde strofe komt ook een tragische heldin als Jeanne d’Arc voorbij, “Qu’Englois brulerent a Rouan” (die door de Engelsen verbrand werd te Rouen), maar die een toonbeeld van strijdlust en jeugd was. Waar zijn zij allemaal?

Waarvoor dient deze opsomming dan? Om te treuren over het feit dat zij er niet meer zijn. Dat er niet meer zulke vrouwen zijn. Villon probeerde hier overigens geen feministisch of anti-feministisch pamflet te poneren, hij schreef een vergelijkbare ballade over de seigneurs du temps jadis. Het is in feite een algemenere treurzang op de verloren tijd (de “temps jadis”), geen onbekend thema in de Franse literatuur.

Dat ik dit weet, dat ik dit gedicht van Villon zowat kan dromen (en het om de zoveel jaren omhoog borrelt), dat ik over zijn bijzondere levensloop weet, dat ik de dichters van de Pléiade herken en (met enige inspanning) goed kan lezen –  dat allemaal heeft te maken met het voorrecht van het goede onderwijs dat ik mocht genieten, en met les bons professeurs du temps jadis.

Adieu Facebook

Als je voor een product of dienst niet betaalt, dan ben je vaak zelf het product. Dat geldt zeker voor sociale media en online diensten als Facebook en Google, om maar eens de twee bekendste grote dataslurpers te noemen. Wij betalen wel: niet met geld, maar met onze gegevens.

In een wereld waarin privacy steeds meer onder druk staat, waarvan het belang door steeds minder mensen wordt gezien, liggen steeds meer persoonlijke gegevens (big data) in handen van een kleine groep mensen: overheden en grote bedrijven. Op basis hiervan menen die ons te kennen en weten ze vaak ons gedrag te beïnvloeden. Voor mij is dat in strijd met het idee dat ik heb van vrijheid. Ik besef dat volledige privacy een illusie is, maar we zitten op sommige plaatsen zelf aan het roer om onnodige opdringerige blikken buiten de deur te houden. Big data is een big issue, waar het onze vrijheid aangaat.

Voor wie nu denkt: “maar ik heb niks te verbergen”, denk nog een keer (en zoek eens een onderzoek of serieuze argumentatie op). Lees verder

Zo’n moment dat de wereld klopt

Toen ik vanochtend langs buurtcentrum De Romein (in de Maastrichtse buitenwijk Pottenberg) reed, kwam plots vanzelf een oude herinnering boven. Voor zover ik me kan herinneren ben ik in mijn leven maar één keer in dat buurtcentrum geweest, eind jaren zeventig. Het was op typerende manier ingericht, zoals je van buurtcentra kunt verwachten. Het was er druk. Het zal er ook rokerig zijn geweest, want het was ver vóór de wetgeving die roken in dat soort gelegenheden aan banden legt. Hoe oud was ik? Ik weet het niet meer precies, ergens tussen 6 en 9 jaar, het was wellicht nog vóór mijn eerste communie.

In genoemde wijk zat ik op judo, een heel verstandige keuze van mijn ouders om ook het lichaam bij dat hoofd zich wat te laten ontwikkelen en mijn zachte karakter wat vechtlust bij te brengen – men heeft zijn best gedaan. Ik meen dat het in het kader van het naderende sinterklaasfeest was dat er een soort bingo werd gehouden, “kienen” zoals ze dat bij ons noemden. In De Romein, samen met mijn moeder.

Wat ik me herinner is een lange middag, met toenemende wanhoop, want we wonnen maar niks. Nu is het natuurlijk helemaal niet vanzelfsprekend dat je, als je aan een bingo meedoet, ook iets wint, maar op de een of andere manier ga je daar als kind wel van uit. Ik wel, in elk geval geboren als optimist.

Al was het maar een klein prijsje… De middag duurde maar, en geen rijtje of kaart kwam vol.

Toen (tegen 5 uur?) was het tijd voor de laatste ronde: de hoofdprijs van de middag, een klokradio –zo eentje nog van vóór het digitale tijdperk, met mechanische getalletjes, “klapcijfers” die versprongen via een draaimechanisme, ongeveer zoals hieronder afgebeeld, maar dan in zwart, en inderdaad van Audio Sonic, als ik me goed herinner.

143806910-klokradio-audio-sonic-met-klapcijfers

Kun je je enige voorstelling maken dat juist ik dit fantastische ding won? En wat voor een roes dat op dat moment veroorzaakte? Ik wist niet wat mij gebeurde, toen het winnende cijfer viel. Niet alleen vanwege het ding zelf dat je wint, maar ik had de hoofdprijs gewonnen! Die dingen kunnen dus toch gebeuren in je leven. En iedereen was er getuige van. Ik vermoed dat mensen gezien hebben hoe een verlegen glimlach zich onvermijdelijk verbreedde tot een grote smile. Ik ken die, half onderdrukte, beweging van de mondhoeken van mijzelf, in noordoostelijke en noordwestelijke richting.

Ik besef nu dat dat een heel gelukkig moment was, zo’n moment dat de wereld klopt (of met een passende metafoor in eigen dialect: “tot alles riechteg tik”), dat dingen lopen zoals ze moeten lopen, samen met je moeder. Een moment dat vertrouwen gaf voor de toekomst – al moet ik wel bekennen dat deze ene overwinning me nooit verleid heeft tot een carrière in kienen of gokken of welk kansspel ook. Eén keer zó een geluk leek me wel genoeg in een leven, en ik had nu eenmaal vroeg gepiekt.

Jarenlang heeft de klokradio op mijn nachtkastje naast het bed gestaan. Ik leerde het verschil tussen FM (op het apparaat zelf naar het Duits UKW genoemd) en AM (MW), en verkende de wereld met mijn oren.