Uitgesneeuwd

Où est la très sage Heloïs,
Pour qui fut chastré et puis moyne
Pierre Esbaillart à Sainct-Denys?
Pour son amour eut cest essoyne.

(François Villon)

“Weleer” is weliswaar wat ouderwets, maar toch
een treffend woord, een speleding voor even tussen
een gratis lunch, meeslepend leven en het kussen
van jou, je zoetrode mond, liefst vandaag nog.

Maar waar ben jij, waar zijn de vlokken sneeuw van toen?
Je lijkt gedwarreld, verder weg dan ooit, zo wreed
ontluisterd. Wanneer werd het samen zijn te heet?
Ik had het nogmaals, vele malen willen doen!

De zon werd plots te hinderlijk, ze scheen te fel
voor gladgestreken plooien, kijk dan toch hoe snel
de sneeuw verdwijnt, die volle sneeuw van toen, “weleer”.

Nu zijn we uitgestormd, de lucht bedrieglijk klaar,
te kale vissen zwemmen in de vijver daar.
Mochten wij botsen op elkaar, ik deed het weer.

© Danny Habets, februari 2023

Leesinstructie

Men is geen ik
zo min als dat

ik mijzelf niet ben
maar een exemplarisch wij

(wij zijn echter /
niet majesteitelijk)

Ik ben ons
allemaal

van opzij
van dichtbij –

Men is een lyrisch subject
op een doodlopende weg

© Danny Habets, januari 2023

Men voelt nattigheid

Nog steeds zie ik het licht niet,
Dat jij over mij laat schijnen.
Zo langzaam aan gaat het schrijnen,
Deze schaafplek, dit debiet

Aan komen, stromen en verdwijnen.
Men is zichzelf niet meer, de rivier
Spoelt alles schoon, weg van hier,
En laat wat was kleinzielig kwijnen.

Zo zit je op een avond in het bad,
Je kleine ziel gaat twee keer nat:
“Ik ben de maat van alle dingen.”

Het is te kort, je glijdt spiernaakt
Uit als je naar de handdoek haakt.
Het gisten laat zich niet bedwingen.

© Danny Habets, januari 2023

Zich laven

Ik ben gezwicht op klaarlichte dag.
Ik heb mij tegen het licht gehouden.
De sneeuwman is helaas verkouden,
Maar hij verliest niets aan gezag.

Het stormt, het hagelt bovenin,
De kogels hebben grote ogen.
Gelukkig heb ik wat bewogen,
Want dit is nog maar het begin.

De ogen kosten maar een schijn
Als ik naar binnen toe verdwijn,
Mij innig laaf aan navelstaren.

Versnelt de hartslag, hij gaat in galop
Ervandoor, ik ben aan mijn top
Als ik de kalmte moet bewaren.

© Danny Habets, januari 2023

Het nieuwe jaar, een tweeluik

De verdwenen gast

Niks geen niets, iets minder nog
Dan vrijwel nihil, de niettegenstaande 
Ideeënloosheid: vriendelijke doch
Nietsontziende, haastig betraande

Onaangedaanheid. Vlechting
In het nieuwe jaar, het aanstaande,
Zo men elke aanvechting
Weerstaat, zo gaande-

Weg, langs de neus weg, de mond
Open en bloot, met de dood
Op de lippen, liederlijk afgerond
Tegen de klippen op, ongenood.

Tijdelijk op bezoek

Hoe dat dan zit, met die lieden?
Ik weet het ook niet, maar
Ik kan ze moeilijk in het openbaar
Tentoonstellen. Of verbieden.

Ik zet mijn beste beentje ergens
Waar het goed toeven lijkt,
Maar wie beter toekijkt,
Weet: dat is dus nergens.

Jij bent voor mij een hele bezoeking,
Ondanks / dankzij je bekoorlijkheden.
Ik had dit liever allemaal vermeden.
Och, breng mij toch niet in verzoeking.

© Danny Habets, op een grauwe 2 januari 2023

Ontheemd

Ik ben totaal
Misplaatst

Zoals alles
Wat ik schrijf

Ik woon
in een verkeerde eeuw

– Adres onbekend

#

Soms

zou een mens
minder eenzaam
en meer alleen

willen zijn.

(Je kunt wel veel willen.)

© Danny Habets, medio december 2022.

Beetje

Er is nog een beetje van mijzelf,
zoveel als dat jij weggenomen hebt.

Je laadt mij in, ik laat je gaan,
je hele gang, mijn klein bestaan.

Misschien ben ik niet klaar
voor deze tocht, maar jij gebaart

onophoudelijk. Je zegt: vergeet
niet af te wegen wat je weet,

en denkt, en voelt, en snapt.
“Het is tijd dat je opstapt.”

Dus duik ik onder zonder schroom.
Ik reis eerste klas in mijn droom

© Danny Habets, medio december 2022.

Stationair

Maak je leeg, zet je hoofd op
zeven, vergeet je consistente
zelf, geef en leef je helemaal

uit, geef gas, maar niet te veel,
overweeg een pas of twee,
maar niet te veel, ken je zelf

op je plaats, mars, dit is er allemaal
voor iedereen en zijn moeder, dit
is het, verhip

hoeveel zit er wel niet
achter dichte deuren, ontluikende
gebruiken, rituelen om ons dood

en demonen van het lijf te houden, een oud
testament, getuige
van de ontelbare

ontelbaarheid.
Zoals in de liefde de zon
en de andere sterren.

© Danny Habets, december 2022

De moraal van het verhaal

Een burgerlijk sonnet

Je maakt je zorgen om mijn ziel:
hij is gevlekt tot op de bodem.
Maar tussen die oneffenheden
schuilt nog voldoende leegte.

Je maakt je zorgen om hoe diep
ik zit: ik berg heel wat doden
in mijzelf. Toch ben ik tevreden
met deze kans op overleven.

Er zijn momenten in de tijd.
Ik heb geen verdienste én geen
indicatie van onsterfelijkheid

helaas: mijn nu verdwijnt in toen.
En waar het heengaat, is het weg meteen.
Ik had het nog zo netjes willen doen.

© Danny Habets – begin december 2022

De naakte feiten

Ik word geregeld, aan jou blootgesteld.
Je neemt mij in, je daagt mij uit:
in jouw ontheemd zijn ben ik thuis.
Wat wil je toch met alle geweld?

Je neemt mij in, het is niet pluis
wat er gebeurt, want ik word kalltgestellt.
Je zegt: het enige wat heden telt
is het redden van je eigen huid.

Wij smolten samen tot één vage hoop
en zetten onze zielen te goedkoop
in etalages en niemand kijkt meer om.

Nu zit ik met de brokken van mijn zelf.
De delen samen zijn nog niet de helft
van hun te vlot gemaakte optelsom.

© Danny Habets – eind november 2022

Hanenpoten

Ik grossier al levenslang in hanenpoten.
Schrikaanjagend is mijn handschrift:
De letters lijken in’t papier gegrift,
En elke pagina lijkt doorschoten.

Al schrijvend raakt mijn hoofd op drift
En lijk ik nogal vastbesloten
Om mijn aanwezigheid te vergroten,
Door hels te pennen met een stift.

Maar jij, o Tijd, lacht en smaalt.
Ik ren, maar schrijf niet snel genoeg,
Al begon ik nóg zo vroeg.

Vergeefs de haast die mij voortdrijft,
En mijn leven uit mij schrijft:
Ik word met elke letter ingehaald.

© Danny Habets, oktober/november 2022

Eiland

Als een eiland voor de kust
dat op zijn lauweren rust
en geen benul waarheen te gaan
ondanks de oceaan
aan mogelijkheden

soms met de rug het vasteland
vermijdend soms overmand
door heimwee naar niet weten
hoe te wenden de steven
al die mogelijkheden

zo blijft dit scheepje liggen
zo stuurloos zo eenzaam
overgeleverd aan de vissers
en de golven der branding

© Danny Habets, oktober 2022

Moord in de morgen

Door de ramen sijpelt vocht. De ochtend
spreekt door kieren en kozijnen.
Steeds weer lijken te verdwijnen
Dromen, die om het hardste vochten.

Lees: het langzaam wegkwijnen
van wat dierbaar was, de tochten
door de uiterwaard, de bochten
die de zon doen schijnen.

Welke dood moest ik verduren,
welke regels richtten deze gure
schijnvertoning, dit ontgaan?

Kunnen wij de staf breken?
Kunnen wij wel iets bespreken
wat wij nauwelijks verstaan?

© Danny Habets, oktober 2022

Lippendienst

In een stationwagen word ik
Afgevoerd. Ik schrik
van het toneelstuk dat wordt
opgevoerd. Het is te kort.

Ik wil nog zoveel dingen,
een vrolijk Paaslied zingen,
en veel lamento’s horen,
nog lang niet toe aan eng’lenkoren.

Dit geeft wel te denken: een mis
waarin men zich vergist.
Het vroege tijdstip onverdiend.

Bewijs ik jou een dienst,
Al is het met de lippen,
Laat je mij dan ook niet glippen?

© Danny Habets, oktober 2022

Ervaring

Genezen is beter dan voorkomen
want anders is er niet geleefd

schade en schande zijn broodnodig
zolang er niet gegeten wordt

(in de maag pas wordt men wijzer,
in de darmen krijgt men spijt)

laat dus het brood tot mij komen
een slechte bekomst is pas feitelijk

als de spiegel waarvoor je staat
niet over zijn nek gaat

© Danny Habets, september 2022