Vanmorgen hebben we een dochter uitgezwaaid, die met haar brugklas twee dagen naar Zeeland gaat. Een soort van op kamp. Dat deed mij natuurlijk denken aan enkele schooluitstapjes van mijzelf. Eigenaardig was de associatie met een specifiek fietskamp, het zal in de derde klas van het atheneum zijn geweest (1985-1986, voorjaar?). Mijn vader was mee als begeleidende ouder.  

Op het terrein aangekomen sprak een moeder van een van de klasgenoten met scherp stemmetje, op roddeltoon, haar morele verontwaardiging uit tegen een van de andere begeleidende ouders: “Ze hebben tegenwoordig van alles, luxe stereo-installaties en zo, maar nog geen fatsoenlijke fiets om op te fietsen.” Het ging specifiek over iemand wiens fiets het opgegeven had onderweg.

Dat ik dit nog ergens in het geheugen had opgeslagen! Ik weet zelfs nog van welke klasgenoot de moeder was. Waarschijnlijk vond ik haar een beetje dom en had ik als rechtgeaarde puber medelijden met haar zoon.  

Grappig is ook dat zo’n opmerking anno 2018 over heel andere luxe apparaten zou gaan, fysiek veel kleinere dingen: iPads, smart phones, GoPro camera’s, smart watches, of hoe die dingen (gadgets) tegenwoordig ook allemaal heten. Ik begin zelf achter te geraken.

I grow old … I grow old
I shall wear the bottoms of my trousers rolled.