Over De witte sjamaan van H.C. ten Berge

Vanuit het niets doemt een landschap op, een landschap dat bovendien zelf weer uit niets blijkt te bestaan. Sneeuw en ijs lijken de enige compo­nenten. Dat is een gebied waar de dichter zich thuis moet voelen, voorbij de wereld, zowel letterlijk als figuurlijk. Letterlijk: het ijslandschap van het niets. En daaraan verbonden, figuurlijk: het land van de sjamaan. My­thisch en mystisch bestaan.

Dit niets, het witte landschap, is ook het lege, witte papier, en in dit opzicht is de dichter verwant aan de sja­maan: de geest is helemaal leeg gemaakt, om die andere wereld toe te laten, de wereld van de verbeel­ding. Vanuit het niets, vanuit deze leegte kan met behulp van de creativi­teit een storm van beelden groeien, een waas van ingevuld landschap of evengoed eeuwigheid.

H.C. ten Berge is een dichter van de zuiverste soort. Wat zijn poëzie vaak ontoegankelijk maakt, is het zoeken van de dichter naar steeds nieuwe gebieden. Wie alleen al de titels en ‘onderwerpen’ van zijn belangstelling overziet, kan een intense speurtocht waarnemen naar het onbekende, naar nog nauwelijks geëxploreerde gebieden. Zijn dichtwerk, als ook zijn documentaire-achtige boeken over de culturen en mythen van indianen en eskimo’s geven het beeld van een zoeker, een reiziger in de verbeelding. Zo moet hem de wereld van de eskimo’s ontzettend hebben aangetrokken, een wereld waarin fictie en werkelijkheid niet ter zake doende categorieën lijken, waarin mythe en mythisch bestaan nog steeds een grote rol spelen.

De witte sjamaan (1973), opent met ‘Maker & Model’, een ge­dicht dat in hoge mate poëticaal is. Daarin maakt de dichter het gedicht leeg voor wat komen gaat: een initiatie (= de titel van het eerste gedicht van het tweede deel):

Het gedicht een zo leeg
mogelijk beeld van de maker
dat daarin samenvalt met zijn model

Het gedicht moet leeg zijn, het mag in niets meer een beeld van de maker zijn, waarmee Ten Berge een anti-romantische poëtica verkiest: een waarin het gedicht geen expressie is van het dichterlijke gemoed. De dich­ter is uit op ‘witheid’. De woorden, die hij noodza­ke­lijk nog gebrui­ken moet legt hij liever af, want

het pekel der namen vreet aan de witheid
van wat niet gekend
maar terloops
in een snelle bezwering benoemd is

Daarom neemt hij alle namen terug. Hij verontschuldigt zich (tegenover wie?), want zijn persoon neemt een plaats in, hij is een mens. Terwijl hij zich zo leeg mogelijk wil maken, bestaat hij nog, en neemt hij noodzake­lijk ruimte in, gebruikt hij een huis, adem, en vooral woorden. O, de woorden, de namen! Zij bedekken het naakt van het niets (het naakt dat het niets is) met ‘zijn betere foto’, met iets dat het naakt verfraait, dat een mooier beeld voorspiegelt (of in elk geval een ander beeld) dan het naakte model.

woord na woord leg ik af,
dus ik
tuig lijken op en verzegel veelzeggend de mond-
dode mens in dit vers gedicht graf

Het raadsel wordt vergroot doordat elk woord op meerdere niveau’s tegelijk functioneert, hetgeen bijna niet buiten het gedicht, in rationele woorden, is weer te geven. Met het leegmaken (om de geest open te stellen) vermoordt hij de mens die monddood (en heel erg dood) is, die niet spreken kan in zijn hoedanigheid als (normaal) mens. De bewuste mens wordt als lijk opgetuigd, maar de aflegging vindt ook, of zelfs met name plaats in de taal. Vooral de taal moet naar het niets en daartoe lijkt hij een hele keten aan woorden te moeten afleg­gen. Dit afleggen moet zowel verstaan worden in de zin van ‘van zich af leggen’ als in de zin van ‘reizen’. Het is ook een afstand die afgelegd wordt. Enerzijds moet hij de woorden wegdoen, de (traditionele) namen van zich af werpen; ander­zijds moet hij alle woorden bereizen:

Ook leg ik het af
woord na woord
een windingrijk trajekt;
ik lees de blinde
bergkaart van een lege droomen stijg

en daal

en loop langs weggewiste wegen

naar het dichtgewitte dal

Hij legt het zelfs zelf af. Waartegen? Zichzelf. Het is een zoektocht door een witte woordeloosheid. Tal van woorden binnen het gedicht hebben veel met elkaar te maken: ‘blinde bergkaart’, ‘weggewiste wegen’, ‘dichtgewitte dal’, ‘wit woordkristal’, ‘mist’, ‘mijn leegte’, ‘word ik afwezig’, ‘het verlaten slakkehuis van dit heelal’, ‘een zo leeg mogelijk beeld’. Al deze woorden duiden op een existentieel afwezigheidsverlangen; ze drukken een streven uit van niet-zijn, niet te zien, vol te stoppen met niets. Wit, de kleur van het eeuwige sneeuwlandschap, vervult een centrale functie in deze beeldenwereld. Wit is het totale niets. De ervaring is bijna mystiek. Het is ook als het ware een vorm van taalmystiek: er is sprake van een weg (mystiek bij uitstek) ─ denk aan ‘trajekt’ en ‘weggewiste wegen’ ─ naar leegheid.

‘Winding’ is een bestaand woord en betekent ongeveer ‘slin­ge­ring’, ‘bocht’, of ‘plaats waar iets gewonden is’. Het gebruik van het bijvoeg­lijke `windingrijk’ is mij niet bekend, maar geeft een beeld van een traject dat niet in een rechte lijn verloopt, maar vol bochten en oneffenhe­den zit: een beeld dat bij uitstek geschikt lijkt voor een soort Bildungsge­schichte, wellicht de komende initiatie in de bundel. Het gaat immers om het traject langs de woorden, ‘langs weggewiste wegen’. Verder doet het woord sterk denken aan ‘vindingrijk’, te meer omdat v en w nauw verwante letters zijn. Vindingrijk moet dan letter­lijk opgevat worden: een weg vol (be)vindingen, een traject waarop veel gevonden kan of moet worden. Dat is paradoxaal: er moet veel leegte gevonden worden. De zoeker is op weg naar het moment dat hij in de leegte stapt:

ik hak

en schep
een wenteltrap
die treden

mist

zodat ik in mijn leegte stap

en val

daar word ik afwezig

Dat is het doel van zijn tocht langs de weggewiste woorden. De wegen zijn de woorden, en via die wegen moet hij uit de woor­den te zien geraken (hoewel hij paradoxaal genoeg daarvoor woorden probeert te vinden), `een spiraal/ naar het wit woord­kristal’. Daar aangekomen wordt hij leeg! Het is een val in zichzelf, in zijn eigen leegte. Hij moet zijn normale bewust­zijn kwijtra­ken. Het is de terugkeer tot een oerstaat:

daar word ik afwezig
het sneeuwige licht van het eerste begin
in gedreven

De ijssteppe lijkt bereikt. Hij is er klaar voor, opgerold

in het verlaten slakkehuis
van dit heelal

De beginwoor­den,

Het gedicht een zo leeg
mogelijk beeld van de maker
dat daarin samenvalt met zijn model

die toen een streven inhielden en nu een bereikt uit­gangs­punt, worden aan het eind bijna letterlijk herhaald:

Het gedicht een zo leeg
mogelijk beeld van de maker
die daarin samenvalt met zijn model

De nuance zit hem in het betrekkelijke voornaamwoord: die (de maker) i.p.v. dat (het beeld van de maker). Nu valt de maker samen met zijn model. Net als zijn model heeft hij zich leeg gemaakt als het landschap.

 

© Danny Habets, 1996, 2011.