Uit het dagboek van een hypochonder

“Wilt u alstublieft een taxi voor mij bellen”, vroeg hij aan de verpleegster bij de receptie.
“Jazeker”, antwoordde zij opgewekt. Hij had zojuist wat bloed laten aftappen. Ze zouden toch weer niets vinden. Nu moest hij zien thuis te komen met die oude botten.
“Goedemiddag, Sanadome Nijmegen, ik wilde graag een taxi bestellen voor meneer…”, ze keek hem vragend aan.
“Habets.”
“… voor mijnheer Huibers”.

Ze verstonden zijn naam buiten Limburg altijd verkeerd. Hoe vaak moest hij, vooral aan de
telefoon, zijn naam spellen: H.A.B.E.T.S, en dan vergaten ze nog vaak de S achteraan, of ze
plakten er een B tussen. Hij bemoeide zich er niet meer mee, als die taxi maar kwam. En een beetje rap, want op de weg hier naar toe had het ook al zo lang geduurd. Hij had een kwartier buiten staan wachten en was al beginnen te lopen naar het einde van de straat, toen eindelijk de zwarte Mercedes de hoek om draaide. Kostte nog moeite om te overtuigen dat ik die taxi had besteld.
“Hij komt er zo aan. Wacht u maar even.”
Omdat hij nu langzamerhand weer rechtop kon staan, ging hij naar buiten. Dat zal mij goed
doen.

Buiten waaide het een beetje, en hoewel de zon ver te zoeken was achter de donkere wolken, was het daglicht toch vrij fel. Hij liep heen en terug naar het middelpunt van deze grote binnenplaats, die op kunstzinnige wijze was vormgegeven. Toch beter dan dat je in het ziekenhuis moet zijn. In het midden was een vijver aangelegd met een fonteintje. Stel je voor dat de duizeligheid weer zo erg wordt, dat ik erin val, dacht hij. Hoe snel zouden ze het zien en naar buiten komen? Zou er iemand rennen? Hij keek omhoog, hoopvol, maar zag daar ook niets. De wolken dekten alles af.

Hij stond nu al twintig minuten te wachten, maar er was nog steeds geen taxi. Hij was al enkele keren heen en terug naar de ingang van het Sanadome gelopen. Hij was zelfs nog een keer naar binnen gegaan. Toen de vriendelijke verpleegster hem zag, zei ze meteen: “De taxi is al gebeld, hij komt er zo aan.” Hij had vervolgens buiten een rondje gelopen rondom de vijver, om zo vanuit elke hoek de ingang van het complex te zien, als door een kaleidoscoop, waarbij steeds de vormen van plaats wisselen en een heel ander beeld opleveren.

Newspaper taxis appear on the shore, waiting to take you away. Climb in the back with your head in the clouds, and you’re gone.

Het zal ook wel te danken zijn aan mijn duizeligheid, dit ongekende wisselen van
perspectieven. Het begon zachtjes te regenen. Net niet hard genoeg om naar binnen te gaan. Hij zou naar het nabijgelegen Canisius Wilhemina Ziekenhuis kunnen lopen, waar voor de hoofdingang enkele buslijnen stoppen. Zelfs lijn 4, die vlak bij zijn flat stopte. Maar eerlijk gezegd zie ik er tegenop om helemaal de stad te doorkruisen, want die bus rijdt helemaal om. Bovendien lag de bushalte van het ziekenhuis ook weer niet zó dichtbij. Dan kon hij nog beter van hieruit naar huis lopen, wat ook niet zo ver was. Maar wat beeldde hij zich eigenlijk in. Ze hadden een taxi voor hem gebeld, en dus zou hij wachten op de taxi. Hij moet zo komen! De oude man keek om zich heen. Verscheidene auto”s passeerden de slagboom, maar geen van deze voertuigen leek op een taxi. Ik sta hier verdomme al drie kwartier te wachten.

Toch was er geen reden tot ongerustheid. Het zal wel druk zijn. Binnenkort die vierdaagse. Bovendien: ik heb de tijd. Hij sloeg de lange regenjas wat dichter om zich heen, het begon nu wat harder te regenen. Ik zou ook binnen kunnen gaan zitten, maar dan ziet de taxichauffeur mij niet staan en rijdt hij misschien onverrichterzake weer weg. En dan moet ik opnieuw bellen en dan duurt het nog langer. Zo kom ik nooit thuis. Misschien is hij wel al geweest toen ik weer even naar binnen liep een uur geleden. Ik kan ook nog een taxi bellen, dan komt er op een gegeven moment tenminste één opdagen. GEDULD IS EEN SCHONE ZAAK! Nee, ik heb een taxi laten bellen en dus zal hij komen.

Even doorkruiste nog een twijfel zijn heldere gedachten: Ze heeft toch wel echt gebeld, ik was er immers bij, of heeft het mens me voor de gek gehouden? Het is niet zoals het behoort, je klanten zo lang te laten wachten, maar als hij nu een andere taxi zou laten komen, dan zou die ander straks voor niets komen. Zo ben ik niet opgevoed. Je handelt je zaakjes netjes af. En dus bleef hij staan waar hij stond.

Hij maakte nu zelfs niet meer de uitstapjes die hij zich de afgelopen anderhalf uur veroorloofd had. Hij was zelfs gaan kijken bij de uitgang van het plein, bij de slagboom. Hij had zelfs drie passen gezet buiten het terrein en getwijfeld of hij toch niet zou gaan lopen, maar toen was hij haastig op zijn schreden teruggekeerd. Hij zou de eenheid van dit universum niet meer verbreken. Hij zou niet meer de cirkel van dit bestaan doorkruisen.

Het regende nu pijpestelen.

In het gebouw hadden enkele mensen wel die man in zijn regenjas zien staan, maar als hij
zonodig drie uur in de regen wilde staan, dan was dat zijn zaak. Daar moet je je toch niet mee bemoeien? Helemaal doorweekt stond hij daar, voor het Sanadome. Vastbesloten was hij. Het was een principekwestie geworden: er zijn of er niet zijn. Bovendien: de regen was opgehouden, als hij maar buiten bleef staan zou hij snel genoeg opdrogen. Hij keek nogmaals naar boven, with your head in the clouds, maar daar was niets. De wolken dekten alles af.

Een harde wind stak op, en al deed deze de oude, natte man tot op zijn botten huiveren, hij volhardde. Hij trotseerde hier de elementen, wat zijn strijd iets heroïsch gaf. Van buiten zo vochtig, van binnen was hij bijna uitgedroogd. Maar ja, dat krijg je als je vier uur in weer en wind staat te wachten. En dan mag hij nog blij zijn dat de zon niet is gaan schijnen, want in deze tijd van het jaar kan de temperatuur dan hoog oplopen.

De laatste loodjes: hij stond te wankelen op zijn benen en stond op het punt in elkaar te zakken. Af en toe zag hij nog een tweetal lichtjes passeren, en hoorde hij de banden op het natte wegdek, maar voordat hij zich ertoe kon zetten om de lichtjes na te kijken, waren ze al weer verdwenen in de duisternis. Hij draaide zijn hoofd – heel langzaam – naar boven en keek omhoog, maar zag niets. And looking up I noticed I was late. Een auto draaide opeens het terrein op. Hoopvol zwaaide de man naar de chauffeur, maar de lichtjes stonden de andere kant op. Was dit de taxi? Enkele seconden later draaide de auto weer van het terrein af, een manoeuvre waarna hij weer verdween in de richting waar hij vandaan was gekomen.

De dagen erna zagen verschillende mensen een oude, verregende en ongeschoren man voor het Sanadome staan. A crowd of people stood and stared, they’d seen his face before, nobody was really sure… En voor hij het wist was hij in het straatbeeld opgenomen, één met zijn omgeving. Een mens went immers snel aan veranderde omstandigheden, ook al bleef alles hetzelfde.

Op een dag was hij verdwenen. Het was woensdag en het zonnetje was net boven de horizon verschenen. Een jong meisje dat om vijf uur in de ochtend wederrechterlijk het ouderlijke huis had verlaten, had hem nog zien staan.

(Schrijver dezes dankt de betreffende nalatige taxichauffeur voor de stof van dit verhaal, al is schrijver dezes na 20 minuten beginnen te lopen.)