Jij gaat dood. Ik ook trouwens.

Weet je al wanneer? Of hoe? Natuurlijk niet, maar maakt dat wat uit? Die middeleeuwers waren nog zo gek niet met hun memento mori: denk eraan dat je elk moment kunt kapotvallen. Maar zij hadden nog het voordeel dat ze in God en zijn Hemel geloofden. Had je iets om naar vooruit te kijken. Bereid je voor! (De paden op, de lanen in.)

Ja echt: denk er aan, dat hart stopt een keer met pompen, je cellen sterven af, het is goed geweest. En dan mag je nog maar hopen dat je hersencellen als eerste gaan, want het kan een pijnlijke aangelegenheid zijn. Ik wil er niet bij zijn, als ik dood ga. Ik moest al zo nodig bij mijn geboorte zijn.

Je kunt nog zo hard sporten om je lijf soepel te houden en te denken dat je dan tenminste gezond doodgaat. Of het tegengestelde: de dood ver van je af houden en je een delirium drinken om hem te vergeten, maar wie weet haal je hem wel sneller dichtbij, en of dat nu een prettige manier om te gaan is: ik betwijfel het.

Sex, drugs en rock’n roll kunnen je tijdelijk doen vergeten dat je aan het mes van een cocaïnedealer geregen kunt worden, dat een vrachtwagen je kan scheppen, dat je op je oude – of nog heel jonge – dag langzaam wegteert aan de kanker. Je weet het.

En dus zet je maar wat kinderen in de wereld, een stuk of vijf, dan weet je zeker dat je het de komende jaren druk genoeg hebt om er niet te veel aan te hoeven denken. Maar feitelijk zet je jezelf een extra val: die kinderen gaan ook dood. En zo breid je het aantal manieren van deze wereld verlaten al uit naar zeven. O heilige getallen! Misschien overleef je er een paar, “dat nooit”, roep je nog manhaftig, maar als de dood daadwerkelijk aan je deur klopt, doe jij hem zelf open.

Maar de dood is toch een rusten, een rusten in u? Ja, dat zeggen degenen die achter je baar lopen, en die stiekem – hoewel ze met veel tranen je lot bewenen – blij zijn dat zij er vooralsnog even aan ontsnapt zijn, dat ze het niet zelf zijn die na lang (of kort) creperen in een groter luciferdoos gestopt worden om door het vuur verteerd dan wel door de wormen opgevreten te worden. Je kunt niet genoeg doden in je directe omgeving hebben: ook dat leidt even af van je eigen lot.

Als je je eenmaal ervan bewust bent – ik bedoel: dat je bestaat enzo, dat je dus noodzakelijkerwijs doodgaat – dan heb je ook geen moment rust meer. Zal ik er veel van voelen. Hoe zal ik doorstaan? Ik ben nogal een schijthuis en ween om bloemen… nee, de verkeerde kant op, in elk geval om niets. Wat zijn de scenario’s: een spontane maagbloeding, een mislukte operatie aan je kleine teen, een langzaam dichtslibbende long terwijl je in je verpleegtehuis steeds minder gewassen wordt, drie kogels die je romp doorboren. Een intense zenuwpijn na te zijn gestoken door een steenvis, omdat je zo nodig naar een subtropisch zwemparadijs moest buiten onze eigen territoriale wateren, geen mens in de buurt om je te helpen en tegengif toe te dienen, omdat je zo nodig – gezellig met zijn tweetjes – net dat hele verlaten strandje hebt opgezocht, zonder de hinderlijke aanwezigheid van schetterende radio’s, strandetablissementen en kustwacht, en natuurlijk de E.H.B.O. Godverdomme.

Heb je hem al eens in de ogen gekeken? Nee? Hij jou wel. Hij heeft je ingeschat en nog niet goed bevonden. Maar geloof me: je tijd komt, en wel binnen nu en honderd jaar (lucky bastard). En elk moment reist hij met je mee, kijkt over je schouders naar de leugens die je vertelt, naar de wijven die je neukt, of niet neukt, naar wat je waarneemt op de televisie, of niet; ook voelt hij de dronkenschap in je lijf, van liefde of gewoon door de ordinaire alcohol. Niet dat hij een hekel heeft aan mensen, maar dat ze zo nodig willen leven, leven en blijven leven. En geloof me: dat kan niet eeuwig duren. Zijn Geduld is beperkt.

Is het een zwart gat
Dat je aanstaart
Óf een sneeuwwitte vlakte
Die niet voorbijgaat?

Vlokken benemen je het zicht
Op deze winter,
Die behalve wit ook gitzwart
Is als een eindeloze nacht.

Wat bedoelen de spitse
Dennebomen als de wind
Hun witte vracht verstuift?

Zij wuiven – kom naar huis
En vergeet  niet je laarzen.
Wie zou dan nog aarzelen?

Wie heeft het verzonnen dat wij met een beperkte houdbaarheidsdatum in deze wereld zijn gezet? Is het niet om gek te worden of spontaan alle lusten te bevredigen die in je opkomen. Nog niet in aanmerking genomen dat je door allerhande bedrijfsongelukjes vroegtijdig kunt gaan rotten. Wij zijn bederfelijke waar, niemand die ons lust.

Je mag nog in je handjes knijpen als het allemaal probleemloos gaat: niet of niet meer dan een keer in het ziekenhuis (dat voorportaal van de hel, hoor je ze kermen met hun slangen in hun buiken en alle gaten waar je maar een slang in kunt stoppen, met het mes dat erin gezet wordt, niets is heilig), geen slachtoffer van je medemens door diens ondoordachte dan wel doelbewuste handelen met het oogmerk om persoonlijk letsel toe te brengen, geen aids of kanker die je (of misschien is het wel je moeder, lievelingsdochter of lieftallige echtgenote die je weliswaar soms wel dood wenst maar het haar uiteindelijk toch niet gunt) van binnenuit vernietigt, geen verdrinking in de koude oceaan omdat de Titanic zo nodig eens moest zinken, geen verdrinking omdat je longen zich vullen met het vocht van elders uit je lichaam, nee zelfs geen zelf toegebrachte schade door een ongematigde manier van leven, geen periodiek terugkerende hartaanvallen omdat je DNA dat nu eenmaal ingeprogrammeerd heeft; nee echt probleemloos: op een ochtend komt een vriendelijke verpleegster c.q. verzorgster je vragen of je nog koffie wilt, en je antwoordt – je bent immers achter in de zeventig – “ja graag”, en als zij terugkeert lig je vredig op de bank, alsof je even een tukje bent gaan doen. Maar dan nog. Wat heb je gedacht – famous last words – toen je ging? En waar ben je naartoe gegaan?

Misschien heb je jezelf een beetje kunnen troosten, “dat dit het eind toch niet is”, dat je reïncarneert in een hogere zijnsvorm (of in een varken omdat je zo stom was om je leven lang in de modder te rollen), dat je wellicht ontsnapt aan de keten van het zijn en het nirwana deelachtig wordt, dat je ongeschonden jonge meisjes tot je beschikking hebt omdat je zo dapper was om wat mensen mee te nemen door middel van je spontaan exploderende jas of riem, dat je oma weer terugziet aan de rechterhand van Hem die Alles gemaakt heeft. Misschien. Maar meestal ben je net zo’n ongelovige hond die niet eens meer voor de schijn een geloof erop na houdt. En als je dat wel doet: welke rituelen gaan je echt helpen in het uur van onze dood, waarom ben je dan toch bang?

© Danny Habets, 2007.