Eigenlijk is het wel jammer dat er geen nieuwe sterke werkwoorden meer ontstaan. Sterke werkwoorden zijn werkwoorden die in de verleden tijd een andere klinker krijgen in de stam en die zich onttrekken aan de toevoeging -te of -de in de uitgang:

spreken – ik spreek – ik sprak – ik heb gesproken

zeggen – ik zeg – ik zei – ik heb gezegd

in tegenstelling tot zwakke werkwoorden:

praten – ik praat – ik praatte – ik heb gepraat

tillen – ik til – ik tilde – ik heb getild

waarbij de meeste mensen zich nog wel de regel van het kofschip (of fokschaap) kunnen herinneren. Die klinkerverandering, die vooral voor Germaanse talen typerend is, wordt door taalkundigen wel ablaut genoemd.

Sterke werkwoorden worden (tegenwoordig!) blijkbaar door de taalgebruikers als onregelmatig ervaren. Daarnaast is in de ontwikkeling van talen over het algemeen een vermindering van het aantal woordvormen en een toenemende regelmatigheid van die vormen waar te nemen. “Ablaut is in de meeste Indo-Europese talen geen productief afleidingsproces meer” (http://nl.wikipedia.org/wiki/Ablaut). Als werkwoorden dus wel sterk vervoegd worden, dan is de kans groot dat het al oude Germaanse (en wellicht zelfs nóg oudere Indo-Europese) woorden zijn.

Hoe zit dat nu met nieuw ontstane woorden, al dan niet onder invloed van het (Amerikaans-)Engels, met name in vakgebieden als de computer- en informatietechnologie:

printen – ik print – ik printte – ik heb geprint

internetten – ik internet – ik internette – ik heb geïnternet

computeren – ik computer – ik computerde – ik heb gecomputerd

Volledig regelmatige zwakke verbuiging dus. Zelfs daarin zie je onbewust de regels van het kofschip terugkeren. Blijkbaar zijn er mechanismen in de (Nederlandse) taal die dit min of meer “afdwingen”. Ik ben benieuwd wanneer bijvoorbeeld onderstaande vormen erkend Nederlands worden:

twitteren – ik twitter – ik twitterde – ik heb getwitterd

Soms nemen taalgebruikers het buitenlandse woord letterlijk over, ook als voltooid deelwoord:

  1. stored procedures
  2. proven technology
  3. ik heb dat gesaved

Het gaat daarbij meestal om vaste uitdrukkingen in het Engels, bovendien nog bijvoeglijk gebruikt (1 en 2): ik heb nog nooit iemand in een Nederlandse zin *ik heb dat stored in de documentenbibliotheek of *ik proved dat hij ongelijk had. Op het moment dat de uitdrukking echt een grammaticale functie in de zin krijgt, worden automatisch de Nederlandse vervoegingsregels toegepast: ik heb het document gestored in de bibliotheek. Het is nog steeds geen fraaie Nederlandse zin met een Engels woord dat uit luiheid onvertaald blijft, maar het is een in het Nederlands bestaanbare zin. Het voltooid deelwoord wordt gevormd door: ge + stam + -d of -t, net als in voorbeeld 3, waarvan de infinitief (“het hele werkwoord” zeiden ze op school) saven is, stam save. Moeilijkheden ervaar ik als taalgebruiker pas bij de verleden tijdsvorm van dit soort woorden: savede (?).

Terug naar twitteren. Zou het niet veel mooier zijn en van meer oorspronkelijkheid getuigen als we dit werkwoord nu wel weer eens via het oude mechanisme van de ablaut zouden vervoegen. Ik doe enkele voorstellen:

  1. twitteren – ik twitter – ik twotter – ik heb getwotteren
  2. twitteren – ik twitter – ik twotterde – ik heb getwotterd
  3. twitteren – ik twitter – ik twat – ik heb getwoten

Optie 1 is taalkundig gezien het meest consequent, aangezien de stam gelijk is aan “twitter”, zoals het werkwoord beginnen (begon, begonnen): zelfde klinkerverandering, zelfde uitgangen.  Nadeel: het klinkt van geen kant, ik krijg het niet uit de strot: getwotteren: uitgang -er + -en is iets te veel van het goede, gevoelsmatig.

Bij optie 2 komt stiekem toch het krachtige mechanisme van zwakke verbuiging kijken: uitgangen -de en -d. Is dus ook geen overtuigende keuze.

Optie 3 klinkt mij intuïtief als de beste, maar is de minst consequente, hoewel ook dat bij sterke werkwoorden niet zeldzaam is. Het klinkt een beetje als bij spreken (sprak, gesproken): 3 verschillende klanken, korte verledentijdsvorm (net als bij ik liep, ik stak, ik las) en de -en uitgang die veelal typerend is voor sterke werkwoorden.

Kortom: als er geen beter alternatief wordt aangedragen, dan stel ik voor deze vorm in gebruik te nemen (implementeren noemt men dat tegenwoordig). Dan heb ik niet voor niets getwoten.